Artikel ‘Filosoferen met kinderen’

Filosoferen in zeven stappen

zaterdag 30 jan. 2010 • Category:   Filosoferen met kinderen

Filosofie

Veel kinderen hebben de begrippen filosofie, filosoof en filosoferen wel eens gehoord. Maar als je ze naar de betekenis van die woorden vraagt, dan weten ze het niet. Schrijf daarom aan het begin van de introductie de drie begrippen op het bord. En wel zodanig, dat er een woordspin van kan worden gemaakt. Begin met het woord filosofie. Nodig de kin­deren uit om te vertellen wat zij denken dat «filosofie» betekent. Schrijf hun antwoorden bij de woordspin, wanneer die ook maar iets te maken hebben met denken, kennis, weten, wijsheid of vragen stellen. Schrijf uiteindelijk zelf achter «filosofie»: = wijsbegeerte. En ga dan het woord «wijsbegeerte» met de kinderen ontleden. Vraag ze welke twee woorden er in «wijsbegeerte» zitten. Juist! «Wijs» en «begeerte». Vraag ze vervolgens wat «wijs» betekent. Lok antwoorden uit, door de kinderen te vragen of ze iemand kennen die wijs is. En waarom juist die persoon wijs is. Of wanneer je een wijsneus bent. Schrijf hun antwoorden in woorden op het bord. Vraag de kinderen daarna wat het betekent als je iets «begeert». Leg het uit, als ze het echt niet weten (verlangen, liefhebben, houden van). Eindig deze oefening met de vraag: ‘Wie kan mij nu uitleggen wat filosofie betekent?’

Alle kinderen zijn filosoof

Vraag vervolgens naar de betekenis van filoso­feren (verlangen of zoeken naar wijsheid). Maak het moeilijke woord «filosoferen» makkelijk door erachter te zetten: ~ denken, praten en luisteren. Laat dit liefst voorafgaan aan de vraag: ‘Wat zouden mensen nu eigenlijk doen als ze met elkaar filosoferen?’ En vraag de kinderen tot slot waarom eigenlijk alle kinderen filosoof zijn …


Stap 2: het komen tot een filosofische vraag

Startvraag

Maar… om te kunnen filosoferen, hebben we wél een vraag nodig! En niet zomaar een vraag, nee, een filosofische vraag. Dat is een vraag, waarop je veel antwoorden kunt geven. Omwille van hun betrokkenheid is het van belang dat kinderen zélf een filosofische vraag bedenken. Er zijn diverse manieren om kinderen een filosofische vraag te laten bedenken. Een zeer effectieve manier is om het volgende op het bord te schrijven: Ik vind … Nodig de kinderen uit om die zin af te maken. Als niemand zijn (of haar) vinger opsteekt, mag u de kinderen best iets meer uitdagen door te zeggen: ‘Heeft niemand van jullie dan een eigen mening?’ Er is altijd wel iemand die iets vindt. (Bijvoorbeeld: ‘Ik vind onze hond lief’) Vanuit iedere mening kan minstens één filosofische vraag worden geformuleerd. Onze filosofische kennis komt namelijk tot uitdrukking door de vorming van oordelen. Vanuit het genoemde voorbeeld kan de filosofische vraag ‘Wat betekent liefde?’ worden geformuleerd. Vragen als ‘Wat betekent liefde voor een hond?’ of ‘Wat zijn de verschillen tussen liefde voor een dier en liefde voor een mens?’ kunnen eveneens als startvraag voor het filosofische gesprek dienen.

Democratisch kiezen

Om de kinderen bij het formuleren van een filosofische vraag te helpen, kunt u het volgende op het bord schrijven: Waarom …?Wat is .. .? Hoe zou het zijn als .. .?Wanneer er ongeveer vijf vragen op het bord staan -liefst vanuit ver­schillende meningen – kan vervolgens op democratische wijze de vraag worden gekozen, waarover de meeste kin­deren willen filosoferen.


Stap 3: in de kring

De magie van de kring

Na het kiezen van de filosofische vraag gaan we in de kring zitten. Deze opstelling is een voorwaarde voor een goed filosofisch gesprek. Non-verbale signalen – zoals oogcontact, handbewegingen en fronsende wenkbrauwen – moeten voor alle deelnemers zichtbaar zijn. Om goed te kunnen luisteren naar elkaar. Maar ook om elkaar denkruimte te geven, onbegrip te signaleren, kinderen erbij te houden en de «ongedefinieerde kracht van de kring» uit te buiten. Van oudsher heeft de kring iets magisch. Leerkrachten die beginnen te filosoferen, zullen regelmatig versteld staan van de cumulatieve denkkracht van hun groep kinderen. Een dergelijke kracht kan het best worden omschreven als het resultaat van een groepsdenkproces, waarbij de kinderen het beste uit elkaar halen. Ze geven elkaar denkruimte. Ze stellen elkaar (soms) de juiste vragen op de juiste momenten en komen tot inzichten, die ze individueel nooit bereikt zouden hebben. Het is een soort synergie van het denken, waarbij 10 + 10 zomaar 30 kan zijn …

Adaptief

De kinderen leren van elkaar. En u leert van de kinderen. Het blijkt dat kinderen deze manier van leren leuk en interessant vinden. Door regelmatig te filosoferen, leert u eveneens steeds beter de filosofische gesprekken te bege­leiden. Bovendien leert u de individuele belevingswerelden van uw groep kinderen steeds beter kennen, waardoor u nóg beter in staat zult zijn om adaptief onderwijs te verzorgen.


Stap 4: verheldering en voorbeelden uit eigen ervaring

Fundament

In de eerste fase van het gesprek worden de begrippen in de filosofische startvraag verduidelijkt. Een woord heeft vaak meerdere betekenissen. Het inventariseren en verhelderen van de verschillende betekenissen en interpretaties is een belangrijk fundament voor de rest van het gesprek. Een goede manier om betekenissen te achterhalen, is het begrip te plaatsen in een context of met tegengestelde be­grippen te werken. Het ligt voor de hand dat de volgende vragen in deze fase worden gesteld: ‘Wat zijn de verschillen tussen (begrip) x en y?’, ‘Wat zijn de overeenkomsten1en ‘Is x misschien hetzelfde als y?

Associëren

Vanuit deze verkenning kan een voorbeeld (of ervaring) worden gekozen, die het best uitdrukt wat de groep met het begrip bedoelt. Het is in deze fase tevens van belang om de verschillende associaties, die bij de kinderen bij een bepaald begrip bestaan, de kans te geven om tot uitdrukking te komen. De volgende vragen kunnen hierbij gesteld worden: ‘Wat denk (voel) je bij X?en ‘Wat voel je bij y?In dit deel van het onderzoek is uw rol van gespreksleider maximaal!


Stap 5: inventariseren van antwoorden, meningen, argumenten en criteria

Analyseren en onderbouwen

Als duidelijk is hoe de begrippen in de startvraag door de groep worden gedefinieerd en geïnterpreteerd, komt het gesprek in een nieuwe fase: het inventariseren van antwoorden op de startvraag. Iedere bewering wordt geanalyseerd en onderbouwd met argumenten: ‘Ik ben het er (niet) mee eens, want…’ U als gespreksleider verzamelt in deze fase argumenten, die specifieke beweringen volledig onderschrijven óf onder bepaalde voorwaarden onderschrijven. In het laatste geval dienen die bepaalde voorwaarden wél overdacht en uitgesproken te worden. Hoe dan ook, de meningen die kinderen uiten, dienen te worden beargumenteerd. En die argumenten dienen door de andere kinderen te worden onderzocht op hun aanvaardbaarheid.

Diepgang

Er dient te worden geredeneerd vanuit eigen overtuigingen (of ervaringen) en niet op basis van autoriteit of dogma’s! (Bijvoorbeeld: ‘Mijn vader zegt dat.’ Of: ‘Het staat in een boek.’) Redeneren kan ook op basis van analogie (overeenkomstige situaties of begrippen) of op basis van generalisatie. In deze fase van het gesprek kan eveneens gezocht worden naar criteria, om een bepaalde situatie te beoordelen. Of om te beoordelen onder welke omstandigheden een bepaalde uitspraak geldig is of niet. Het accent van het filosofische gesprek wordt daarmee verschoven. En tegelijkertijd krijgt het gesprek op deze manier meer diepgang.


Stap 6: zoeken naar standpunten, die alle deelnemers onderschrijven

Inductie

In deze fase dient onderzocht te worden of er standpunten zijn, die alle deelnemers aan het gesprek kunnen onderschrijven. U bent als gespreksleider daarbij gericht op meer algemene principes (inductie). De vraag ‘Denk je dat veel mensen het met dit standpunt eens zullen zijn?’ is hier dan ook op zijn plaats.

Filosofisch gesprek en discussie

In deze fase komt het verschil tussen een discussie en een filosofisch gesprek het best tot uitdrukking:
– Discussies zijn gericht op overtuigen, gelijk krijgen, laten zien wat je in huis hebt, macht (of status) verwerven. De filosoof Aristoteles definieerde retorica als «het vermogen in elke zaak de beschikbare overtuigingsmiddelen te ontdekken». Retorica is dus «de kunst van het overtuigen». Die vormt de kern van het voeren van een discussie.
– De kern van een filosofisch gesprek is het opschorten van overtuigingspogingen, zodat er ruimte ontstaat voor gezamenlijk onderzoek. Een filosofisch gesprek is een onderzoeksgesprek, gericht op gezamenlijk nadenken, redelijke argumentatie en de gemeenschappelijke analyse van een thema. Voor de filosoof Socrates gold dat filosofie uit niets anders bestond dan dit idee van een gezamenlijk onderzoek. Het doel van een filosofisch gesprek is uit te stijgen boven het individuele denken en daardoor inzichten te verwerven, die ieder voor zich niet zou kunnen bereiken. In een filosofisch gesprek manifesteert zich het grondprincipe van samenwerking.


Stap 7: samenvatting, reflectie en vervolgopdracht

Samenvatting

Hoewel er wél naar wordt gestreefd, zal de onderzoeksgroep lang niet altijd tot een of meer eenduidige inzichten komen. Soms komt de groep alleen tot de conclusie, dat een optimaal antwoord op de startvraag niet gevonden kan worden. Bovendien hoeft de slotconclusie géén consensus te zijn. Het is goed mogelijk dat de deelnemers niet verder komen dan een inzicht in de meningsverschillen en de redenen daarvoor. Een veelvoorkomend resultaat van het filosoferen is dat door het gesprek de samenhang van een aantal zaken duidelijk is geworden. U rondt als gespreksleider het gesprek af met een samenvatting. Of u laat de kinderen dat doen.

Reflectie

Na de samenvatting is het voor alle betrokkenen zinvol nog even te reflecteren over het gesprek zelf. Met vragen als ‘Wat ging er goed en wat ging er minder goed?’, ‘Waarom?’, ‘Hoe kunnen we de zaken die niet zo goed gingen volgende keer beter doen?’ en ‘Wat hebben we geleerd van dit gesprek?’

Vervolgopdracht

U kunt ook besluiten om de gevonden antwoorden (en argumenten) in een persoonlijk filosofieschrift te laten opschrijven. Afhankelijk van de vraag en de antwoorden zou eveneens een expressieactiviteit of een creatieve opdracht aan het gesprek gekoppeld kunnen worden. Denk dan bijvoorbeeld aan het opvoeren van een toneelstukje, een teken- of schilderopdracht, het maken van een gedicht, het schrijven van een verhaal of een zoekopdracht (op internet of in de bibliotheek). Het komt overigens dikwijls voor dat een bepaald vraagstuk kinderen zó bezighoudt, dat ze er in de pauze of na schooltijd met vrienden of familie verder over filosoferen …
Tips voor leerkrachten/gespreksleiders bij het filosoferen

Vaardigheden en attitude

Om goed en effectief te kunnen filosoferen met kinderen én om filosofische gesprekken goed te kunnen begeleiden, zijn een aantal vaardigheden en een bepaalde attitude nodig. Dat moet u echter niet afschrikken. Al doende zal het u steeds beter afgaan.

Nuttige tips

Ik geef u alvast een paar nuttige tips:
– Neem net als de deelnemers een vragende, verwonderende houding aan.
– Geef nooit uw eigen mening. Zelfs niet als de deelnemers daar om vragen’
– Formuleer ter voorbereiding een aantal hulpvragen. Dat zijn vragen – gerelateerd aan de filosofische startvraag die als een rode draad door het hele gesprek lopen.
– Stimuleer de kinderen om tijdens het filosoferen zélf ook vragen aan elkaar te stellen.
– Streef een maximale participatiegraad na: iedereen komt minstens één keer aan het woord’
– Splits grote groepen (van meer dan twintig kinderen) op in een binnenkring en een buitenkring. Of ga met de ene groep filosoferen en laat de andere groep zelfstandig (of in een andere ruimte) werken.
– Laat de kinderen tijdens het gesprek (minimaal) één keer met hun buurman (of buurvrouw) gedurende drie minuten praten over de (hulp)vraag in kwestie.
– Geef af en toe een samenvatting van wat er is gezegd. En evalueer aan het eind van het gesprek.
– Filosofeer over vragen (of thema’s), die de deelnemers zelf hebben bedacht en geformuleerd.


Waarom filosoferen met kinderen?

Training en ontwikkeling van vermogens en vaardigheden

Tot slot zet ik voor u nog even op een rijtje welke vaardigheden en vermogens van kinderen door het filosoferen worden getraind en ontwikkeld:
– het denkvermogen, denkvaardigheden en taalvaardigheden;
– reflexieve vaardigheden;
– analytische vaardigheden;
– de creatieve vermogens;
– mondelinge taalvaardigheden, discussie- en redeneervaardigheden, begripsvorming en leesvaardigheden;
– luistervaardigheden en concentratievermogen;
– het morele bewustzijn;
– onderzoeksvaardigheden;
– sociaal-emotionele vaardigheden;
– mens- en wereldbeeld.

En verder …

Filosoferen bevordert verder de intrinsieke motivatie, het zorgt voor een uitbreiding van de woordenschat en het helpt om bepaalde angsten te overwinnen.


Tot slot

In dit artikel heb ik geprobeerd om het filosoferen met kinderen praktisch en laagdrempelig te maken. De bedoeling is geweest dat u de beschreven leermethode in zeven stappen zonder al te veel moeite – en vrijwel meteen kunt toepassen in uw onderwijspraktijk. Zoals voor alle lesvormen en leermethodes geldt ook voor het filosoferen: oefening baart kunst. Het verdient dan ook aanbeveling om – voorafgaand aan de eerste filosofische gesprekken – een aantal hulpvragen te formuleren. Dit zijn vragen, die gerelateerd zijn aan de filosofische startvraag.

Veel succes en plezier!