Filosoferen over kunst

Een van de bijzondere dingen van kunst is dat je soms geen idee hebt wat je ziet of hoort. Kunst valt niet altijd direct in onze schema’s van de werkelijkheid. Daarom moet je vaak nog een keer kijken. En nog eens. Of anders. Kunst prikkelt niet alleen kijkgewoontes, maar ook allerlei verwachtingen en je opvattingen over wat de moeite waard is. Soms moet je helemaal opnieuw bepalen hoe iets past in de rest van de werkelijkheid.

Meer 9, cortenstaal, Carel Visser 2004

Filosoferen over kunst is interessant en soms ook grappig en verwarrend. In het onderwijs is het effectief middel om de kunstbeleving van leerlingen te bevorderen. Docenten kunnen dat proces faciliteren als ze over de juiste vaardigheden beschikken. SLF kan met u of uw doelgroep filosoferen over kunst en verzorgt de cursus Filosoferen over kunst voor (museum)docenten en andere medewerkers van culturele instellingen.

Deze cursus, ontwikkeld in samenwerking met Kunstbalie, stelt de docent in staat de kunstbeleving van kinderen, jongeren of museumbezoekers te intensiveren en hun onderzoekende en empathische houding te versterken.

Aanmelden cursus Filosoferen over kunst
Ontdek hoe leuk en inspirerend filosoferen over kunst kan zijn en leer hoe je een gezamenlijk onderzoek van een kunstbeleving begeleidt. Meld je aan voor deze cursus op de vier vrijdagmiddagen 19 april, 24 mei en 7 & 21 juni 2013 van 13.00 tot 16.30 uur in Museum De Pont in Tilburg. Kosten: € 275. Meer weten? We zijn bereikbaar op info@lerenfilosoferen.nl en op 06-50207591.

Over de cursus
In deze cursus ontwikkel je de vaardigheid om de kunstbeleving van anderen te intensiveren. Je verwerft deze vaardigheid door te leren hoe je een socratisch gesprek voert en leidt. Je leert de filosofische houding te beheersen en ermee te werken. Je brengt structuur aan door het selecteren en combineren van zes tools. De cursus bestaat uit vier tweewekelijkse sessies van 3½ uur. Het is cruciaal tussen de sessies veel te oefenen met collega’s en/of bekenden. Oefening baart kunst.

Gereedschapskist: zes tools
1.    het gezamenlijk kiezen van één kunstwerk
2.    onderzoek naar de feiten van het kunstwerk
3.    het gezamenlijk betekenis verlenen aan een kunstwerk
4.    het verwoorden van de kunstbeleving in trefwoorden
5.    het verwoorden van de kunstbeleving in vragen
6.    het leiden van een filosofisch gesprek over een vraag gerelateerd aan het kunstwerk

Ze werken als volgt:

Tool 1: gezamenlijk kiezen van één kunstwerk
De leerlingen of bezoekers kijken/luisteren naar een aantal kunstwerken in de klas, de school of het museum. Terwijl zij de werken ondergaan, schrijven ze per werk argumenten op waarom ze het al of niet willen onderwerpen aan een nader gezamenlijk onderzoek. Naderhand brengen de leerlingen of bezoekers deze argumenten in om gezamenlijk vast te stellen welk kunstwerk het meest geschikt/interessant/ betekenisvol is om verder te onderzoeken.

Tool 2: onderzoek naar de feitelijke ervaring van het kunstwerk
Aan de hand van een (kopie van een) kunstwerk doen de leerlingen of bezoekers een gezamenlijk (zelf)onderzoek door het beantwoorden van een aantal vragen. Allereerst delen de aanwezigen hun eventuele relevante feitenkennis inzake werk en kunstenaar.  De leerlingen noteren de belangrijkste gegevens inzake het werk (kunstenaar, titel, stijl, stroming, genre, context, gebruikte techniek, vorm, onderwerp, handeling, compositie, kleuren, et cetera) in een zo feitelijk mogelijke beschrijving met zo weinig mogelijk interpretatie.

De docent/gespreksleider kan het onderzoek van de ervaring beginnen met de vraag Wat valt je op? om het blikveld te verruimen en de waarneming te scherpen. Andere mogelijke hulpvragen zijn:
-    Wat doet het werk met je? Wat roept het bij je op? Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk je beleving: gevoelens, gedachten, vragen, associaties, eventuele fantasieën en/of fysieke reacties
-    Wat gebeurt er met je als je langer stilstaat bij het werk?
-    Wat wil je? Roept de ervaring van het kunstwerk op tot een handeling?

Tool 3: het gezamenlijk betekenis verlenen aan een kunstwerk
Men kan ook besluiten direct betekenis te verlenen aan een werk zonder eerst de feitelijke ervaring te onderzoeken. De leerlingen of bezoekers worden uitgenodigd te vertellen wat het kunstwerk met hen doet, welke vragen, gedachten, herinneringen, gevoelens en/of fantasieën het bij hen oproept, of het kunstwerk hen aanspreekt (sympathie) of juist niet (antipathie) en dit ook toe te lichten. Naarmate deze oefening vordert, wordt de kunstbeleving intensiever en krijgt het kunstwerk meer betekenis. Enkele vragen die aan het eind van de gezamenlijke kunstbeleving gesteld kunnen worden zijn:
-    Wat gebeurt er met je als je langer stilstaat bij het werk?
-    Wat is het wonder van dit werk?
-    Wat zegt jouw beleving van dit werk over jezelf?
-    Vind je het werk mooi?

Tool 4: het verwoorden van de kunstbeleving in trefwoorden
Leerlingen of bezoekers krijgen een kunstwerk voorgeschoteld en worden uitgenodigd om hun kunstbeleving (gedachten, vragen, gevoelens et cetera), ofwel de indrukken die ze hebben opgedaan/opgeschreven, samen te vatten in drie trefwoorden. Vervolgens wordt hen de volgende vraag gesteld: Welke titel zou je zelf aan dit kunstwerk geven?
De trefwoorden worden klassikaal besproken en toegelicht. Leerlingen of bezoekers worden tevens uitgenodigd om elkaar vragen te stellen, wat overigens bij alle tools van het grootste belang is. De docent schrijft het belangrijkste trefwoord van iedere leerling of bezoeker op het bord en probeert direct de trefwoorden te categoriseren/clusteren. Aan het eind van deze oefening wordt de leerlingen of bezoekers gevraagd één trefwoord te kiezen dat volgens hen het sterkste van toepassing is. De docent stelt de leerlingen of bezoekers in staat argumenten aan te dragen waarom dat specifieke trefwoord gekozen moet worden.

Tool 5: het verwoorden van de kunstbeleving in vragen
Leerlingen of bezoekers krijgen een kunstwerk voorgeschoteld en worden uitgenodigd om hun kunstbeleving (gedachten, vragen, gevoelens etc.), ofwel de indrukken die ze hebben opgedaan/opgeschreven, samen te vatten in minimaal twee en maximaal vier vragen. De docent vraagt ze letterlijk: Welke vraag/vragen roept dit kunstwerk bij je op? waarna de leerlingen of bezoekers hun vraag/vragen opschrijven. Vervolgens worden maximaal tien vragen door de docent geïnventariseerd. De leerlingen of bezoekers lichten hun vragen toe en ondervragen elkaar over de urgentie van hun vragen. De docent schrijft ze op het bord of de flipover. Daarna worden de leerlingen of bezoekers uitgenodigd klassikaal te beargumenteren welke van de vragen die op het bord staan het meest treffend is (‘speelt’) in relatie tot het kunstwerk.

Tool 6: filosofisch gesprek over een vraag gerelateerd aan het kunstwerk
Voor zover de leerlingen of bezoekers nog niet bekend zijn met de criteria van geschikte uitgangsvragen voor filosofische gesprekken naar aanleiding van een kunstbeleving, worden die criteria eerst gedoceerd of op het bord geschreven:

- De vraag heeft betrekking op (= treffend voor) het kunstwerk
- Het is een algemene, fundamentele vraag (niet zuiver individueel)
- Het is een relevante en betekenisvolle vraag (interessant om te onderzoeken)
- De vraag is te beantwoorden door louter nadenken
- De vraag is eenvoudig geformuleerd
- De vraag is te voorzien van concrete voorbeelden uit eigen ervaring

Aan de hand van een kunstwerk bedenken/formuleren de leerlingen of bezoekers één geschikte uitgangsvraag voor het filosofisch gesprek. Ze schrijven die vraag op en als ze daar relatief snel klaar mee zijn, bedenken/formuleren ze er nog een. De docent inventariseert maximaal vijf vragen en schrijft deze op het bord/de flip-over. Daarna worden de leerlingen of bezoekers uitgenodigd klassikaal te beargumenteren welke van de vragen die op het bord staan a) het meest treffend is (‘speelt’) in relatie tot het kunstwerk en b) het meest interessant is om in een filosofisch gesprek nader te onderzoeken. De docent start het filosofisch gesprek op basis van de volgende procedure:

1.    Geef de leerlingen of bezoekers de opdracht een voorbeeld te bedenken uit hun eigen leven, een voorbeeld dat betrekking heeft op de uitgangsvraag. Stel ze de volgende vraag: ‘Met welke ervaring uit je eigen leven kun je de uitgangsvraag beantwoorden?’ Graaf in je geheugen! Ga bij jezelf na waar je toen was, met wie, wat je toen deed, en wat je toen dacht en voelde.

2.    Laat een aantal leerlingen of bezoekers hun persoonlijke ervaring (voorbeeld) uitwisselen en geef ze de gelegenheid op elkaar te reageren en elkaar vragen te stellen. Stimuleer ze om elkaar vragen te stellen!

3.    De gespreksleider vraagt de leerlingen of bezoekers naar de essentie van het onderzoek van deze ervaringen: ‘Wat vinden jullie belangrijk?’, ‘Waar draait het volgens jullie om?’, ‘Wat valt hieruit te leren?’. De gespreksleider schrijft de belangrijkste antwoorden op het bord.

4.    Terugkoppeling van hetgeen is geleerd/geconcludeerd naar het kunstwerk:
Verbind deze antwoorden met je kunstbeleving. Ervaar het werk opnieuw. Verandert je kunstbeleving? Wat zegt die eventuele verandering over het werk? En over jou?

5.    Evaluatie van het filosofisch gesprek: Wat vonden jullie van dit gesprek? Wat ging er goed? Wat kon er beter?

Welke tools de docent kiest, is afhankelijk van factoren als:

•    het kunstwerk (ingebracht door leerling/docent, inhoud/vorm, kopie/origineel, …)
•    de doelgroep (onder-/bovenbouw, verplicht/keuzevak, kennis/motivatie, …)
•    de lessituatie (in groepjes, hele klas, museum, …)
•    de lesdoelen (past de kunstbeleving wel/deels/niet in het schoolcurriculum?)
•    de beschikbare tijd

Wil je meer weten? We zijn bereikbaar op info@lerenfilosoferen.nl en op 0251-253824.