Scenariomethode voor schoolleiders

Ontwikkel samen met collega’s toekomstscenario’s en beleidsadviezen 

Scenariodenken

Collier – Priestess of Delphi

De scenariomethode, ook wel scenariodenken genoemd, wordt al tientallen jaren succesvol toegepast in het bedrijfsleven. De methode is oorspronkelijk door Shell ontwikkeld om de toekomst minder onvoorspelbaar te maken. De afgelopen jaren hebben wij talloze leerkrachten en schoolleiders begeleid bij het toepassen van deze methode, onder andere om:

a)    ontwikkelingen, kansen, bedreigingen en diverse toekomstscenario’s in kaart te brengen;
b)    bij te dragen aan een breed gedragen toekomstvisie, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een nieuw strategisch beleidsplan.

Op socratische wijze de scenariomethode toepassen
Wij begeleiden de deelnemers bij de toepassing van de scenariomethode op socratische wijze. De deelnemers bepalen de inhoud en komen tot eigen inzichten. Ieder traject bestaat uit de volgende zeven stappen:

1. Waardenanalyse
Alle deelnemers wordt gevraagd om de volgens hun belangrijkste waarden van het onderwijs op te schrijven, om deze vervolgens in dialoog te bespreken. Hierbij staat de vraag ‘Wat is goed onderwijs?’ centraal. Waarden als optimale zelfontwikkeling, veiligheid, verantwoordelijkheid, zelfsturing, respect en (zelf-)vertrouwen komen hierbij bijna als vanzelfsprekend aan bod.

2. Hoe ziet mijn onderwijspraktijk eruit in 2026?
De deelnemers hebben, eveneens voorafgaand aan de bijeenkomst, nagedacht over de vraag hoe hun werkdag als leerkracht en/of directielid eruit ziet in 2026.

Tijdens deze fase worden de deelnemers uitgenodigd om een aantal details te beschrijven over de wijze waarop ze hun werk in 2026 beleven; hun werkwijzen en daginvulling, hoe de scholen eruit zien, hoe contacten verlopen met de leerlingen, collegae en ouders, wat de rol is van ICT in de onderwijspraktijk, tot welke gevolgen bezuinigingsmaatregelen hebben geleid, etc.  De deelnemers gebruiken hun verbeelding en creativiteit om los te komen van hun huidige werksituatie. Belangrijke en opvallende zaken worden geëxtraheerd en gezamenlijk besproken.

3. Benoemen van (on)zekere trends
Naar aanleiding van de het gezamenlijk bespreken van de belangrijke en opvallende zaken in fase 2 krijgen de deelnemers de opdracht om specifieke trends (ontwikkelingen) te benoemen, en aan te geven hoeveel impact die trends hebben op de school, de medewerkers, de leerlingen, ouders en andere betrokkenen. Voorbeelden van trends zijn: veranderende leerlingenpopulatie, toenemende bureaucratisering, meer coöperatief leren, meer onderwijsinnovatie vanuit de praktijk, effectievere meetmethodes, meer aandacht voor duurzaamheid, duurzaam leren en talentontwikkeling, ….
De begeleider noteert de trends en clustert deze, wederom in samenspraak met de deelnemers.

4. Het komen tot een scenariosjabloon/assenkruis
Wanneer de trends zijn geclusterd en de drijvende krachten die de trends veroorzaken eveneens zijn gevonden, gaan de deelnemers brainstormen over enkele scenariosjablonen. Dit zijn assenkruizen waarbij twee onzekere, drijvende krachten de assen van een matrix bepalen. Zo ontstaan vier kwadranten die elk een verschillend scenario representeren. De uiteinden (extremen) van beide assen worden waardevrij/neutraal geformuleerd. Een voorbeeld van een van de assen zou kunnen zijn: ‘systeemgericht’ & ‘leerling-gericht’. Het meest aansprekende en werkbare scenariosjabloon wordt gekozen.

5. Analyse van de scenario’s
Het assenkruis levert vier mogelijke toekomstscenario’s op. Tijdens de eerste bijeenkomst zijn de deelnemers in vier groepjes verdeeld. Ieder groepje krijgt de opdracht een van de scenario’s voorafgaand aan de tweede bijeenkomst uit te werken. Centraal bij die uitwerking staat de vraag: hoe ziet de school(dag) in 2026 er uit in dit scenario?

6. Presentatie van, en reflectie op de scenario’s
Nadat de vier groepjes de uitwerking van hun scenario aan elkaar hebben gepresenteerd, gaan ze plenair na welk scenario het meest/minst waarschijnlijke scenario is. Vervolgens wordt onderzocht  wat het meest wenselijke scenario is, en wat het doemscenario is. Daarna wordt gezamenlijk hardop nagedacht welke (on)aantrekkelijke elementen er in alle vier de scenario’s zitten. Ook denken de deelnemers na over de vraag wat we zouden moeten doen om het meest waarschijnlijke scenario te doen opschuiven naar het meest gewenste scenario.

7. Beleidsadviezen
Tijdens alle stappen die hiervoor zijn beschreven, komen belangrijke zaken boven water drijven. Op basis daarvan kunnen de deelnemers een breed gedragen visie formuleren, als ook breed gedragen adviezen uiten. Om tot concrete beleidsadviezen te komen worden tevens de volgende vragen onderzocht:
–     Welke gevolgen hebben de verschillende scenario’s voor ons?
–     Hoe realiseren/vermijden we (on)wenselijke aspecten binnen ieder scenario?
–     Hoe vermijden we het meest ongewenste scenario?
–     Hoe realiseren we het meest gewenste scenario?

Meer informatie? Stuur een e-mail of bel 0251-253824.

 

 

Lees hier ons artikel in Kwartaaljournaal 3 & 4 – 2011
van de Nederlandse Schoolleiders Academie