Procesdoelen die worden nagestreefd door te filosoferen met leerlingen en studenten

Ontwikkeling van het denkvermogen, (zuivere) denkvaardigheden en taal
Het filosoferen heeft als doel de houding van jongeren om mentale handelingen te verrichten, om te redeneren en te onderzoeken (verder) te ontwikkelen en te versterken. Het gaat dan bijvoorbeeld om attitudes zoals nieuwsgierigheid, leergierigheid, onderzoeksgeest, neiging tot speculeren, kritische instelling, de gewoonte om hypothesen op te stellen en conclusies te trekken. Zuivere denkhandelingen zijn bijv. wensen, gissen, zich herinneren, beslissen, verwachten en vergelijken. Vele mentale handelingen verlopen zonder woorden, maar elke taalhandeling heeft een mentale component. Voorbeelden van taalhandelingen zijn beweren, zeggen, vertellen, meedelen en bevestigen. Tijdens het filosoferen leren de deelnemers de ideeën van elkaar te doordenken zonder deze meteen uit traditie of gewoonte af te wijzen. Ook leren ze de vraag ‘Waar is dat nou goed voor?’ even van zich af te schudden. Ze leren mee te gaan in gedachte-experimenten, elkaar (denk-)ruimte te geven en op gepaste momenten deze ruimte te nemen.

Ontwikkeling van reflexieve en metacognitieve vaardigheden
Het filosoferen kan eveneens de ontwikkeling van reflexieve en metacognitieve vaardigheden stimuleren, zoals het leren reflecteren op eigen kennis, waarden en normen (zelfreflectie), het leren onderzoeken van het eigen denken, zowel de denkstructuren als de denkprocessen, met als resultaat meer inzicht in het eigen wereldbeeld en in dat van de ander. Tijdens het filosoferen is het onderzoek er niet op gericht om tot beoordelingen te komen van wat algemeen juist of onjuist is. Het filosoferen is dus niet zozeer gericht op het verwerven van aanvaarde kennis, maar veeleer reflectie op reeds verworven kennis en ervaringen.

Ontwikkeling van analytische, algemeen cognitieve en redeneervaardigheden
Door te filosoferen worden analytische en andere cognitieve vaardigheden (vaardigheden om te leren kennen) verder ontwikkeld. Hieronder vallen vaardigheden als analyseren (bijv. van een redenering), ordenen van gedachten, logisch beredeneren, logisch nadenken en logische conclusies trekken, causale verbanden leggen (iets afleiden uit iets anders), conclusies logisch onderbouwen, bewijzen logisch en objectief beschouwen, associaties en analogieën maken (overeenkomsten zoeken, vergelijkingen maken, verwante begrippen bedenken en uitspreken, hypothesen vormen, onderscheidingen maken, alternatieven overwegen, het zoeken naar redenen, argumenten, uitleg en vooronderstellingen, het (her)formuleren van vragen, het innemen van een standpunt (meningvorming), herkennen van een positie van een ander, kritiek kunnen geven en ontvangen, het herzien of bijstellen van de eigen mening, het leren herkennen van alternatieven voor algemeen aanvaarde opinies over de werkelijkheid (en aspecten daarvan), het leren doordenken van een idee (het leren gebruiken van gedachte-experimenten). Verder leren jongeren door te filosoferen tevens redenen en argumenten te formuleren om gedachten en/of opvattingen te onderbouwen (redeneervaardigheden). Enkele voorbeelden van redeneervaardigheden zijn: het vermogen tot uitvoeren van deductieve en inductieve operaties (zoals het afleiden en ontdekken van vooronderstellingen), het vermogen tot vragen stellen, redenen geven (redeneren), definities opstellen, classificeren, voorbeelden geven en begrippen vormen.

Ontwikkeling van de creatieve vermogens
Het filosoferen beoogt tevens het creatieve en speculatieve denken te bevorderen. Vanuit een houding van verwondering en nieuwsgierigheid proberen we tijdens het filosoferen ons voor te stellen of de dingen ook anders hadden kunnen zijn. Het stimuleren van verbeeldingskracht is belangrijk om ideeën te ontwikkelen, het accent ligt op het creatieve denken. Het opstellen van hypothesen alsmede het ontwikkelen van creatieve ideeën en het toetsen ervan wordt tijdens filosofische gesprekken geoefend, waardoor ook de creatieve (denk-)vermogens verder worden ontwikkeld door middel van creatieve denktechnieken.

Ontwikkeling van taalvaardigheden zoals mondelinge vaardigheden, uitbreiding van woordenschat, begripsvorming, leesvaardigheden
Wanneer de eerder genoemde denk- en taalvaardigheden tot uiting worden gebracht tijdens het filosoferen, worden eveneens de mondelinge vaardigheden verder ontwikkeld. Dit geschiedt o.a. door elkaar feedback te geven, zaken samen te vatten, te concluderen, elkaar vragen te stellen, op elkaar te reageren, zaken te herhalen, hypotheses te formuleren en te discussiëren. Het filosoferen draagt dan ook automatisch bij aan de vergroting van de woordenschat. Enerzijds kan een filosofisch begrip aanleiding en leidraad zijn voor/ tijdens het filosoferen door de analyse ervan centraal te stellen. Anderzijds worden jongeren tijdens het filosoferen gedwongen om actief naar elkaar te luisteren. Ze leren ook geduld op te brengen door anderen te laten nadenken, uit te laten spreken, voor te laten gaan in het spreken.  Hierdoor leren ze bepaalde woorden van elkaar en leren ze deze (beter) toe te passen in hun eigen taalgebruik. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat het filosoferen eveneens bevorderlijk is voor de leesvaardigheden en syntactische vaardigheden (vaardigheden die betrekking hebben op de zinsbouw).

Ontwikkeling van luistervaardigheden en concentratievermogen
Goed (actief, kritisch) luisteren naar anderen is in diverse opzichten een moeilijke aangelegenheid. Initieel omdat het tijd en energie (concentratie) kost om de ander aan te horen. Er wordt een beroep gedaan op het eigen inlevingsvermogen, o.a. door te verwerken, te begrijpen en op de juiste wijze te interpreteren wat de ander zegt. Daarnaast is het soms lastig om daadwerkelijk geïnteresseerd te zijn in de ander. Bovendien moet de aangehoorde informatie geselecteerd worden op relevantie. Dat betekent dat veel overgebrachte informatie (soms direct) verworpen dient te worden. Verder is luisteren moeilijk omdat het een open houding vereist. Zo hebben veel jongeren moeite om kritiek te ontvangen op hun eigen gedrag en/of opvattingen. Een open houding vereist tevens het tijdelijk opgeven van de eigen wil. Ook vereist luisteren geduld. De ander dient immers ruimte te krijgen om zijn gedachten op de gewenste wijze mondeling over te brengen. Aangezien er tijdens het filosoferen maar één persoon het woord kan en mag voeren, wordt het luistervermogen bij de zwijgende meerderheid automatisch bevorderd (tenzij gemoedstoestanden, onderlinge spanningen, onkunde van de gespreksleider en/of signalen van buitenaf het luisteren verstoort!).

Ontwikkeling van het morele bewustzijn
Voor Socrates stond kennen gelijk aan handelen: kennis wordt uitgedrukt in handelen. Weten wat goed is, is doen wat goed is. Onze denkprocessen en -structuren zijn immers bepalend voor onze handelingen. De verhouding tussen kennis en gevoel, en in het verlengde daarvan de verhouding tussen kennis en deugd, kennis en persoonlijkheidsvorming speelden in Socrates’ opvattingen een centrale rol. Voor hem was het filosoferen dan ook in essentie morele opvoeding. Overigens beschouwde Plato, anders dan Socrates, gedrag als niet alléén afhankelijk van kennis, maar ook van gewoontevorming. Kennis is dan alleen een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor verandering. Om gedrag te kunnen veranderen, moet er niet alleen kennis zijn maar er moet ook een impuls van buitenaf bij komen, gevolgd door het opbouwen van een gewoonte. Filosoferen kan nog steeds worden beschouwd als morele opvoeding, alleen op een niet-traditionele wijze. De traditionele morele opvoeding bestaat uit het overdragen van morele opvattingen, zoals ook kennis wordt overgedragen. In brede kring wordt deze wijze van morele opvoeding tegenwoordig betwijfeld. Een moderne vorm is het morele leergesprek waarbij de eindconclusie van het gesprek wel bij voorbaat vast staat. Het tonen van verschillende morele opvattingen in een ‘vrijruimte voor het denken’ is een uiterst belangrijk doel binnen iedere morele opvoeding tegenwoordig. Vandaar dat het filosoferen over ethische vraagstukken, met de daaraan ten grondslag liggende waarden en normen, uitermate geschikt is als morele opvoeding. Het filosoferen beoogt tevens dat jongeren toleranter ten opzichte van elkaar worden, met name omdat ze geleerd wordt een meer open/neutrale houding aan te nemen ten aanzien van andermans kennis, mening, ervaring of levensovertuiging. Afwijkende opvattingen zijn zelfs wenselijk tijdens filosofische gesprekken, al was het alleen maar om in te leren zien dat we allemaal verschillend zijn.

Overwinnen van bepaalde angsten
Door met elkaar te filosoferen zouden een aantal angsten overwonnen kunnen worden, zoals:

De angst om in het openbaar te spreken: over het algemeen vinden veel jongeren het lastig om anderen toe te spreken. Tijdens het filosoferen worden ook impulsieve (spontane) en naïeve reacties uitgelokt, waardoor ook de verlegen en minder getalenteerde sprekers aan bod kunnen komen. Het publiekelijk spreken is zeer bevorderlijk voor ieders eigenwaarde.

De angst om vreemd gevonden te worden om bepaalde overtuigingen: tijdens het filosoferen mag alles gezegd en ‘gevonden’ (ik vind…) worden. Voorwaarde van het filosoferen is dat een volmaakt veilig pedagogisch klimaat. Geen enkele inbreng (ervaring, mening, idee, geloofsovertuiging) is goed, fout of ongewenst, mits de inbreng niet kwetsend is voor een of meerdere anderen in de groep. Pesten, uitlachen, discrimineren of het anderszins kwetsen van deelnemers is uit den boze tijdens het filosoferen. Deze regel vermindert tevens de angst om te zeggen wat je van iets of iemands mening vindt, de angst om je eigen mening te verkondigen, faalangst en andere onzekerheden en twijfels. Overigens kan er goed gefilosofeerd worden over (specifieke) angsten, mits er voldoende vertrouwen is gecreëerd tussen de deelnemers onderling, alsmede tussen de deelnemers en de gespreksleider.

Ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden
Door elkaar vragen te stellen tijdens het filosoferen worden begrippen aangeleerd, krijgen we beter greep op de taal, leren we stukje bij beetje hoe de wereld in elkaar zit. Veel jongeren zijn het vragenstellen afgeleerd omdat er in onze maatschappij veel meer waarde wordt gehecht aan antwoorden. Het vragenstellen moet wel geoefend worden, o.a. tijdens het filosoferen waarbij jongeren leren hun eigen vragen te formuleren (en leren herformuleren als gevolg van reacties van anderen). Uit het vragenstellen blijkt een bepaalde houding, de houding waarbij niet alles als vanzelfsprekend wordt genomen. Filosoferen is namelijk ook onderzoeken of het vanzelfsprekende wel zo vanzelfsprekend is. Naarmate de gespreksleider de onderzoekende houding van de deelnemers weet te waarderen en te stimuleren, verandert de groep langzaam maar zeker tot een onderzoeksgemeenschap. In een dergelijke gemeenschap zijn goed geformuleerde vragen belangrijker dan antwoorden. Door te filosoferen leren en ervaren jongeren om gezamenlijk filosofische vragen op een filosofische manier te onderzoeken zonder vaststaande antwoorden te veronderstellen of aan het eind te verwachten. Ze leren een bepaalde vraag, een stelling of een begrip van verschillende kanten te belichten, ofwel vanuit verschillende invalshoeken te benaderen. Een onderzoeksgemeenschap wordt gekenmerkt door een groep jongeren die intrinsiek gemotiveerd zijn om zelf op onderzoek uit te gaan. Onderzoeksvaardigheden zijn o.a. het kunnen uitvoeren van wetenschappelijke procedures als meten, waarnemen, beschrijven, gissen, verklaren, voorspellen en toetsen. Het filosoferen is slechts één didactische methode om de onderzoeksgeest (nieuwsgierigheid, leergierigheid, de nijging tot speculeren) te bevorderen. Het dient de deelnemers de gelegenheid te bieden om vragen te stellen. De gespreksleider dient hierin een voorbeeldfunctie te vervullen. De vroegste fase van onderzoek in een nieuw gebied is vaak filosofisch van aard; verwondering speelt dan nog een rol en men speculeert over mogelijke oplossingen.

Ontwikkeling van sociaal-emotionele vaardigheden
Het filosoferen verhoogt het gevoel van eigenwaarde (zelfwaardering) van jongeren, mede omdat ze merken dat ze serieus genomen worden, zowel door de overige deelnemers als door de gespreksleider. Het brengt jongeren in vervoering als ze merken dat er naar hen geluisterd wordt. Het verhoogt hun zelfwaardering, ze gaan meer in zichzelf geloven. En dat is één van de belangrijkste zaken die je als gespreksleider wilt bereiken, omdat er een heel duidelijk verband bestaat tussen het vermogen om te leren en zelfwaardering. Jongeren die slecht leren hebben per definitie zeer weinig zelfwaardering. Jongeren met (zeer) weinig zelfwaardering zijn veeleer van mening dat ze niet kúnnen leren, dat ze niet voor zichzelf kúnnen denken. Door te filosoferen leren jongeren dat er ook andere meningen c.q. antwoorden op dezelfde (filosofische) vraag mogelijk zijn. Evenzo belangrijk is dat ze leren om die andere mening ook te waarderen c.q. te respecteren. Zo krijgen ze meer begrip voor elkaar én voor de mensen om hen heen. Zie hier eveneens de mogelijkheden om bijvoorbeeld het pest- en discriminatieprobleem aan te pakken (filosoferen is een confronterende methode daartoe) en jongeren open te leren staan voor andere (geloofs)overtuigingen.

Ontwikkeling van mens- en wereldbeeld
Omdat het filosoferen ook een reflecteren is op het eigen en andermans denken, handelen, functioneren, lichaam, karakter, identiteit, emoties, wensen, verwachtingen, ambities, ontwikkeling (e.d.), ligt het voor de hand dat jongeren door deze leermethode beter zicht krijgt op zichzelf en anderen. Deze groeiende zelfkennis en de kennis die hij (o.a.) tijdens het filosoferen van de overige deelnemers meekrijgt, dragen bij aan de vorming van een breder mens- en wereldbeeld.