Stappen in het socratische gesprek naar aanleiding van een kunstbeleving

Stap 1: Al of niet op basis van een thema inventariseert de groep een aantal vragen.
In de context van deze training gaan de vragen over kunst. In een socratisch gesprek moet de vraag voldoen aan de volgende criteria:
-        Het is een algemene, fundamentele vraag (niet zuiver individueel)
-        Het is een relevante vraag: hij motiveert het gedrag en heeft persoonlijke betekenis voor de vragensteller
-        Het is een niet-empirische vraag: hij is te beantwoorden door louter nadenken
-        De vraag is eenvoudig geformuleerd
-        De vraag is te voorzien van concrete voorbeelden
In de context van deze training is het voorbeeld een concrete kunstbeleving.

Stap 2: selecteren van de vraag
De leerlingen kiezen gezamenlijk een van de door hen geformuleerde vragen die op het bord/de flipover staan.

Stap 3: beschrijf een kunstbeleving uit je eigen leven
Alle leerlingen beschrijven op papier een kunstbeleving die betrekking heeft op de geselecteerde uitgangsvraag. De kunstbeleving moet een concrete ervaring van een deelnemer uit het verleden zijn. Het kan nuttig zijn dat een of meer mensen (afbeeldingen van een) kunstwerk meenemen, waaruit men gezamenlijk één werk selecteert. De kunstbeleving kan ook betrekking hebben op een kunstwerk dat alle leerlingen hebben gezien, bijvoorbeeld tijdens een excursie.

Stap 5: uitwisselen kunstbelevingen
Een beperkt aantal kunstbelevingen wordt uitgewisseld.

Stap 6: selecteren van één kunstbelevingLeerlingen dragen argumenten aan wat volgens hen de meest geschikte kunstbeleving is, waarna één ervaring wordt geselecteerd.

Stap 7: verhelderen van geselecteerde kunstbeleving
Leerlingen stellen vragen aan de leerling van wie de kunstbeleving is gekozen. Waar was je? Met wie? Wat deed je? Hoe voelde je je? Wat dacht je?

Stap 8: formuleren van het hittepunt/de kernbewering
Het hittepunt van de geselecteerde kunstbeleving wordt gevangen in een kernbewering, die de vorm heeft: ‘Toen ….(hittepunt), deed/dacht/voelde ik …, want ….’ De docent/ gespreksleider schrijft deze bewering op het bord. Alle leerlingen schrijven deze bewering in hun schrift en verplaatsen zich in de situatie van de voorbeeldgever.

Stap 9: uitspreken van de eigen kernbewering, opschrijven van regels
Een aantal leerlingen spreekt hun eigen kernbewering uit. De docent/gespreksleider vraagt naar de regel (rechtvaardiging) die uit iedere bewering gedestilleerd kan worden en schrijft deze regels op het bord.

Stap 10: komen tot principes
In deze fase tracht de gespreksleider de deelnemers naar aanleiding van de regels gezamenlijk tot principes (levensinzichten, een overtuiging hoe het leven volgens jou in elkaar zit) te laten komen. Principes rechtvaardigen de regels. De docent schrijft de principes op het bord, en kan hier vragen stellen als: kan iedereen met deze uitspraak instemmen? Is dit een antwoord op de uitgangsvraag?

Stap 11: conclusies & evaluatie van het gesprek
De docent/gespreksleider gaat na in hoeverre er consensus bestaat over de regels en rechtvaardigingen. Hij kan de deelnemers ook nog vragen naar de essentie van het gesprek: ‘Wat vonden jullie belangrijk?’, ‘Wat kun je ermee in toekomstige situaties?’

Stap 12: terugkoppeling naar het kunstwerk
In deze afsluitende fase vraagt de docent/gespreksleider de leerlingen om na te gaan of de regels en principes ook gerelateerd kunnen worden aan het kunstwerk.