Filosoferen in de klas: didactische tips, deel 1 van 3

In drie artikelen waarvan dit het eerste is, geven we leerkrachten didactische tips voor het doorlopen van de verschillende fases van het filosofische gesprek.

Een filosofisch gesprek in de klas verloopt volgens het zandlopermodel. Het begint abstract met een thema en een geschikte uitgangsvraag[1]. Vervolgens wordt het concreet: met een of enkele voorbeelden uit eigen ervaring, met in ieder voorbeeld een hittepunt (wat dacht/voelde/deed je toen?) Daarna wordt het gesprek weer abstract: met antwoorden (regels en principes) die voortvloeien uit de voorbeelden.

Zandloper

Een filosofisch gesprek heeft verschillende fases. Doorloop in ieder geval de volgende zes fases:

1.       Laat de leerlingen een thema kiezen dat ze willen onderzoeken.

2.       Laat ze gezamenlijk zoeken naar één geschikte uitgangsvraag, gerelateerd aan het gekozen thema. Je vindt de criteria in de volgende alinea.

3.       Geef ze de opdracht om één concrete ervaring uit hun eigen leven te bedenken. Deze ervaring dient aan te sluiten op de uitgangsvraag. Laat ze bedenken waar ze die ervaring hebben opgedaan, met wie, wat ze toen dachten, wat ze toen voelden en wat ze toen deden. Geef ze 2 of 3 minuten de tijd.

4.       Vraag de leerlingen wie zijn of haar ervaring het eerst wil delen met de groep. Stel vragen over die ervaring en stimuleer de leerlingen om ook vragen te stellen. Onderzoek nog enkele ervaringen.

5.       Laat de leerlingen na iedere onderzochte voorbeeldervaring gezamenlijk zoeken naar een of meerdere antwoorden op de uitgangsvraag.

6.       Evalueer het gesprek: wat ging er goed, wat kon er beter? Wat hebben we geleerd?

 

Criteria voor een geschikte uitgangsvraag

1.       De vraag is door iedere leerling te beantwoorden m.b.v. een concreet voorbeeld uit eigen ervaring.

2.       Het is een leuke, spannende, interessante vraag; dus een betekenisvolle vraag voor iedere leerling.

3.       De vraag is door iedere leerling te beantwoorden door na te denken. Er zijn meer antwoorden mogelijk. Het is geen feitenvraag en geen instrumentele vraag (geen hoe-vraag).

4.       De vraag is algemeen en zo kort en eenvoudig mogelijk geformuleerd.


Geoefende gespreksleiders
kunnen de leerlingen ook regels laten formuleren die betrekking hebben op de uitgangsvraag. Ze vragen dan bij de aangedragen voorbeelden (bij punt 4 en 5): Waarom deed je toen wat je deed? Waarom oordeelde je toen zo? Waarom voelde je dat? Op die manier komen de leerlingen gezamenlijk tot bepaalde kernbeweringen of regels (rechtvaardigingen van oordelen) die betrekking hebben op de uitgangsvraag. De laatste stap in het filosofische gesprek is het komen tot (levens)principes. Principes zijn rechtvaardigingen van de regels. Ze kunnen op een spandoek gezet worden (kort!); ze geven aan hoe het leven volgens jou geleefd moet worden/in elkaar zit, met betrekking tot de uitgangsvraag.

In het eerste deel van deze korte reeks geven we tips voor de leerkracht hoe hij/zij zichzelf kan introduceren als gespreksleider. Daarnaast geven we tips voor de eerste fase van het gesprek: het vinden van een geschikte uitgangsvraag.

 

Introductie van de leerkracht als gespreksleider en instructies

Begin het filosofische gesprek met een expliciete en puntsgewijze introductie:

1.       Vertel de leerlingen dat jij de gespreksleider bent en jij dus bepaalt wie het woord heeft (vingers!).

2.       Vertel dat jij je als gespreksleider inhoudelijk niet bemoeit met het gesprek (geen eigen mening!).
Daarna geef je de volgende instructies:

3.       Een filosofisch gesprek is het gezamenlijk onderzoeken van een vraag. Het gaat daarbij niet om gelijk krijgen of discussie. Het gaat wel om samen zoeken naar wijsheid, vragen stellen en goed luisteren.

4.       Jullie (de leerlingen dus) zeggen alleen wat je zelf denkt, spreek kort en bondig (geen monologen!).

5.       Jullie mogen een metagesprek aanvragen, dat is een gesprek over het gesprek, bijvoorbeeld als je ontevreden bent. In een metagesprek spreek je af wat je doet om het gesprek beter voort te zetten.

 

Tips om een geschikte uitgangsvraag te vinden

1.       Schrijf een of meerdere geschikte uitgangsvragen op het bord, bijvoorbeeld ter verdieping van bepaalde lesstof of om een gebeurtenis uit het nieuws bespreekbaar te maken.

Voordelen:

– het bespaart tijd;

– de uitgangsvragen zijn direct juist geformuleerd/geschikt;

– je kunt je al voorbereiden op mogelijke richtingen die het gesprek op kan gaan.

Nadeel: de uitgangsvraag komt niet uit de leerlingen zelf, en is dus minder betekenisvol. Dit nadeel kan deels worden verholpen door:

–  meerdere uitgangsvragen op het bord te schrijven waar leerlingen uit kunnen kiezen (laat ze eerst beargumenteren waarom ze een van de vragen wel/niet willen onderzoeken, en ga dan pas stemmen; iedere leerling mag één stem uitbrengen (vingers!), de vraag met de meeste stemmen wordt onderzocht);

–  breng  alleen het te onderzoeken thema in, en laat de leerlingen een of meerdere geschikte uitgangsvragen formuleren, gerelateerd aan dat thema.

2.       Vraag aan het begin van de les welke vraag de leerlingen graag willen onderzoeken.

Wanneer geen enkele leerling met een vraag komt, confronteer je de leerlingen met de vraag: Hoe kunnen jullie iets leren zonder vraag? of met de opmerking: Geen vraag, geen filosofisch gesprek!

Om het zoeken van een geschikte uitgangsvraag te stimuleren, kun je ook beginnen met het vragen naar een voor de leerlingen betekenisvolle gebeurtenis, bijvoorbeeld door de volgende vraag te stellen:

Hebben jullie iets leuks, spannends of vervelends meegemaakt? Hebben jullie iets gelezen, gezien op TV of is jullie iets opgevallen in het nieuws? Ieder onderwerp is welkom, dan bedenken we een vraag vanuit dat onderwerp!

Geef de leerlingen ruimte om vanuit de ingebrachte gebeurtenissen en/of onderwerpen een vraag te formuleren. Zijn  ze nog niet (goed) bekend zijn met de criteria van een geschikte uitgangsvraag? Help ze  met de eventuele herformulering van de ingebrachte vragen. De criteria kunnen natuurlijk ook worden aangeleerd. Schrijf minimaal twee ingebrachte vragen op het bord, maximaal 5.

Geef de leerlingen enkele minuten de tijd om hun voorkeur uit te spreken welke van de ingebrachte vragen volgens hem/haar onderzocht moet worden, uiteraard met toelichting/argument(en). Spoor de leerlingen voorafgaand aan en/of tijdens dit proces aan hun voorkeur te uiten met de opmerking: Nu kunnen jullie elkaar nog overtuigen (en manipuleren) waarom vraag X wel en vraag Y niet onderzocht moet worden. Straks gaan we stemmen en dan gaan we de vraag onderzoeken waarvoor de meeste stemmen zijn uitgebracht!

Als de leerlingen er zonder stemming niet uitkomen (wat meestal het geval is), geef je  de leerlingen nog 20 seconden de tijd om de vraag uit te kiezen die ze het liefst straks op filosofische wijze willen onderzoeken. Daarna hou  je  een stemronde waarbij je  duidelijk aangeeft dat iedere leerling één keer mag stemmen. Vervolgens ga je de vragen  een voor een na en noteer je  het aantal stemmen per vraag op het bord. Als duidelijk is welke vraag de meeste stemmen heeft, zet je een cirkel om die vraag en gaan de leerlingen in een kring zitten. Ze verbouwen het klaslokaal, het moet een mooie kring zijn waarin iedereen elkaar kan zien om goed te kunnen luisteren en  non-verbale signalen op te vangen.

3.       Geef de leerlingen als (huiswerk)opdracht mee een geschikte uitgangsvraag te formuleren en inventariseer de volgende les een aantal van die vragen (of allemaal, bijvoorbeeld door leerlingen ze op een papiertje te laten opschrijven en in te laten leveren).

 

Het onderzoeken van de vraag

Er is geen minimum aantal leerlingen voor een filosofisch gesprek, wel een maximum. Het is niet raadzaam om met meer dan dertig leerlingen in een kring te filosoferen. De reden voor dit maximum is simpel: hoe meer deelnemers, des te minder gemiddelde gesprekstijd per deelnemer, en des te moeilijker het voor de gespreksleider wordt om alle deelnemers betrokken te houden. Hieronder volgen nog enkele didactische vormen en richtlijnen:

– in de grote kring: dé opstelling om goed te kunnen filosoferen, omdat alle deelnemers bij elkaar betrokken zijn en elkaar goed kunnen zien en dus ook non-verbale communicatie waar kunnen nemen. De leerkracht is gespreksleider.

– in de binnen-/buitenkring: bij groepen van meer dan 30 deelnemers of naar gelang de wensen van de leerkracht/leerlingen. In deze opstelling mag de buitenkring alleen kritisch luisteren en aantekeningen maken. Met de deelnemers in de binnenkring wordt gefilosofeerd. De deelnemers in de buitenkring spelen een belangrijke rol bij de evaluatie. In een volgend filosofisch gesprek worden de rollen omgedraaid, tenzij er deelnemers zijn die liever willen ruilen of in de buitenste kring willen zitten, om welke reden dan ook.

– in kleine groepjes/kringen (van 3, 4, 5 of 6 deelnemers): de gekozen uitgangsvraag kan in groepjes worden onderzocht (in de vorm: vraag-voorbeelden-conclusies-evaluatie (de evaluatie kan ook klassikaal, dat is leerzaam voor alle andere leerlingen)), eventueel met in ieder groepje een aangewezen gespreksleider (die duidelijke instructies krijgt van de leerkracht).

– in tweetallen (eventueel  ter voorbereiding op een plenair filosofisch gesprek): Wanneer de uitgangsvraag bekend is, krijgen de leerlingen 10-15 minuten de tijd om vanuit een voorbeeld uit de eigen ervaring de uitgangsvraag met elkaar te onderzoeken. Indien er geen tijd/ruimte/mogelijkheid is voor een kring, kan de leerkracht in de reguliere klassikale opstelling de leerlingen vragen wat deze dialogen inhoudelijk hebben opgeleverd. Hij kan de antwoorden kort op het bord (laten) schrijven. Vervolgens kunnen de antwoorden klassikaal gecategoriseerd worden, waardoor diepere inzichten of  principes boven komen drijven.

– individueel: als de uitgangsvraag bekend is (op het bord!), kunnen de leerlingen individueel de opdracht krijgen om vanuit de eigen ervaring een voorbeeld te bedenken dat aansluit/betrekking heeft op de uitgangsvraag. Vanuit dat voorbeeld formuleren ze een of meerdere antwoorden op de uitgangsvraag, met argumenten op hun blaadje/in het schrift. Na 5-10 minuten bespreek je een aantal antwoorden klassikaal.

– klassikaal: De leerkracht kan besluiten, bijvoorbeeld vanwege tijdgebrek, om kort maar krachtig een uitgangsvraag klassikaal te onderzoeken, in de reguliere opstelling.

In het volgende artikel geven we didactische tips voor het beoordelen en laten delen van de voorbeelden die leerlingen inbrengen naar aanleiding van de uitgangsvraag. Wat doe je als als leerkracht met die voorbeelden en hoe stimuleer je leerlingen elkaar vragen te stellen en door te vragen?

Het leiden van een filosofisch gesprek op school vereist enige kennis en kunde. Begin thuis te oefenen (lees Filosoferen aan de keukentafel, Kampers & Ruiter, Scriptum 2015) of leer het in vier dagdelen: lerenfilosoferen.nl-basiscursus.