Filosoferen over kennis en wetenschap

(Les)idee: ‘Filosoferen over…’ …kennis en wetenschap!

Een vraag die filosofen sinds de Oudheid tot op de dag van vandaag bezighoudt, is de vraag wat kennis is. Volgens velen biedt ‘de wetenschap’ toegang tot kennis. De vraag naar kennis verandert daarmee in de vraag wat wetenschap is. In de jaren twintig van de vorige eeuw zocht een groep wetenschappers en filosofen, verenigd in de Wiener Kreis (Weense Kring), het antwoord op die vraag in het begrip betekenis.

Wiener Kreis: kennis ontstaat uit betekenis
Volgens de leden van de Weense Kring, ook wel de logisch positivisten of empiristen genoemd, kunnen wij betekenisvolle taal onderscheiden van onzin door zinnen te onderwerpen aan het verificatieprincipe. Dat principe luidt als volgt: een zin bevat alleen dan daadwerkelijk betekenis als hij een component bevat die logisch danwel empirisch (op basis van de zintuiglijke ervaring) is te bevestigen of te ontkrachten. Anders geformuleerd: de betekenis van een uitspraak bestaat in de manier waarop deze kan worden geverifieerd ofwel waargemaakt door middel van waarneming, experiment of logische gevolgtrekking. Zinnen uit bijvoorbeeld de metafysica of de ethiek die niet aan dit criterium voldoen, hebben in de opvatting van de Wiener Kreis geen betekenis.

Popper: onware uitspraken helpen ons verder
Een van de bestrijders van deze kennis- en wetenschapsopvatting was Karl Popper (1902-1994). Volgens Popper moeten wetenschappers hun heil niet zozeer zoeken in het bevestigen van hun theorieën, maar in het bedenken van experimenten die hun theorie zouden kunnen weerleggen. Wetenschappelijke kennis moet zich van pseudowetenschappelijke kennis onderscheiden door haar falsifieerbaarheid: de wetenschappelijkheid van een theorie hangt volgens Popper af van de mogelijkheid haar te weerleggen. Het verschijnsel dat de zon en de maan om ons heen draaien, bevestigde volgens vroegere geleerden de stelling dat de aarde het middelpunt van het heelal vormt. Omdat deze uitspraak niet alleen verifieerbaar maar ook falsifieerbaar is (en inmiddels ook feitelijk weerlegd), heeft hij bijgedragen aan het ontstaan van kennis. Onware uitspraken kunnen ons verder helpen! Anders is het met de uitspraak dat de mens het einddoel is van de evolutie van het leven op aarde. Misschien is deze uitspraak wel te beargumenteren of zelfs te verifiëren, maar het is lastig om zo’n uitspraak te weerleggen. Ook kennis uit bijvoorbeeld de astrologie en de psychoanalyse is volgens Popper niet weerlegbaar en dus onwetenschappelijk. Waar het zowel de Wiener Kreis als Popper om ging, was het verhelderen van de voorwaarden waaronder kennis kan ontstaan. Dat zagen zij als dé taak van de filosoof.

Kuhn: de wereld verandert mee met de wetenschap
Het boek dat een cesuur betekende met deze opvatting was The Structure of Scientific Revolutions (1962) van wetenschapsfilosoof en natuurkundige Thomas Kuhn (1922-1996). Aanleiding voor dit boek was Kuhns verwondering over het feit dat Aristoteles, die zoveel voortgang had geboekt in logica en wiskunde, een mechanica aanhing die zelfs op de meest basale punten tekortschoot. Na lange bestudering en vergelijking met de moderne mechanica van Newton en Einstein, kwam Kuhn tot de conclusie dat aan Aristoteles’ mechanica een geheel ander wereldbeeld ten grondslag lag dan aan de moderne. De betekenis van termen als kracht, massa, of versnelling was een totaal andere dan die wij eraan toekennen. Aristoteles leefde in zekere zin in een andere wereld dan wij. Om hieraan uitdrukking te geven gebruikte Thomas Kuhn het woord paradigma: het gemeenschappelijke referentiekader van een groep wetenschappers, dat bestaat uit een gemeenschappelijke taal (begrippenkader) en een stelsel van aanvaarde wetten en theorieën. Wetenschap wordt gekenmerkt door periodes van stabiliteit en van plotselinge revoluties, zoals de relativiteitstheorie van Einstein. “Indien een revolutie plaatsvindt, verandert de wereld mee”, aldus een roemruchte stelling van Kuhn.

Latour: objectiviteit is een sprookje
In zekere zin vormde Kuhns werk het startschot voor een nieuwe manier waarop filosofen denken over kennis en wetenschap. Binnen de wetenschapsfilosofie sprak men zelfs van een revolutie. Een recent, en roemrucht, voorbeeld van deze antropologische of sociologische wending is het werk van de Franse filosoof en antropoloog Bruno Latour. In navolging van Kuhn benadrukt de filosoof het sociale proces dat aan wetenschap ten grondslag ligt. In tegenstelling tot Kuhn heeft het werk van Latour een duidelijke politieke portee. De boodschap laat zich, om met de titel van zijn beroemdste werk te spreken, formuleren als: wij zijn nooit modern geweest. De idee waartegen Latour zich verzet is die van de Verlichting. Volgens geaccepteerde geschiedschrijving heeft zich in West-Europa in de 17e eeuw een omwenteling voorgedaan, waarin de mens  kritisch leerde nadenken over zijn eigen cultuur. In plaats van een beroep te doen op de overlevering leefde de mens na de Verlichting in een nieuwe wereld met twee domeinen: aan de ene kant waren er menselijke waarden, de samenleving, cultuur en politiek. Aan de andere kant stonden feiten, de natuur en de wetenschap. Door deze twee domeinen strikt gescheiden te houden, was zoiets mogelijk als objectiviteit. Objectiviteit is mogelijk als wetenschappers zich verre houden van de politiek en zich niet laten beïnvloeden door externe factoren.

Zijn mensen wel zo belangrijk?
Volgens Latour is deze geschiedschrijving een sprookje. Zijn inspiratie voor deze hypothese vond hij toen hij in de jaren zeventig in Ivoorkust aan de Technische Hogeschool werkte. Al snel kwam hij er achter dat Afrikaanse studenten, in tegenstelling tot hun Europese medestudenten, veel moeite hadden met het lezen van technische tekeningen. Kwam dat doordat Afrikanen, in tegenstelling tot Europeanen, in een voormodern wereldbeeld leefden? Latour, wars van vage termen als ‘wereldbeeld’, kwam met een banalere, en simpelere verklaring: Afrikaanse studenten hadden de daadwerkelijke machines nog nooit gezien. Tijdens zijn verblijf als antropoloog aan een scheikundig laboratorium, het Salk Institute in Californië, besloot Latour de chemici aldaar te bestuderen zoals hij de Afrikaanse studenten had bestudeerd. Na verloop van tijd kwam hij erachter dat in de praktijk wetenschappers zich weinig aantrokken van de Verlichting: het bleken normale mensen te zijn, haast primitieve stammen. Ze beslechtten conflicten niet op basis van objectiviteit, maar op basis van omkoping, bedreiging, vleierij, macht en vriendjespolitiek. De resultaten van zijn onderzoek verschenen in 1979: Laboratory Life. The Social Construction of Scientific Facts. Belangrijker nog dan de conclusie dat wetenschappers verdacht veel op welke sociale groep dan ook leken, was de filosofische conclusie die Latour hieraan verbond. Waarheid moet volgens hem niet begrepen worden als ‘ontdekbaar’, maar als gecreëerd. Bij een conflict tussen wetenschappers ontstaat achteraf de waarheid: de winnaar van het conflict beslist wat de waarheid is. Volgens Latour kunnen wij niet achteraf een beroep doen op de resultaten van de wetenschapper om de waarheid te staven, omdat precies deze resultaten bepalen wat wij als ‘waar’ doen gelden. Wetenschap is, net als politiek, dus een spelletje, waarbij men voorstanders probeert te werven. Deze voorstanders kunnen menselijk zijn (collega’s, politici, de pers) of niet-menselijk (geld, de natuur, instrumenten). In deze nadruk op de aanwezigheid van niet-menselijke actoren ligt de originaliteit van Latour: zoals men mensen beschouwt als actoren die men voor zich probeert te winnen, zo kan men ook de natuur beschouwen als een actor.

Verder lezen? Een uitstekende inleiding in de wetenschapsfilosofie is die van Gerard de Vries, Een inleiding in de wetenschapsfilosofie (Groningen, 1995).


Vragen over kennis en wetenschap die als uitgangsvraag gebruikt kunnen worden voor filosofische gespreksvoering.

  1. Wat is waarheid? Wat zijn universele waarheden?
  2. Wat is kennis? Wat is ware kennis? Wat is intuïtieve kennis?
  3. Wat is wetenschap? Waar ligt de grens tussen wetenschap en pseudowetenschap?
  4. Kan je spreken van vooruitgang van de wetenschap?
  5. Kan je over alle kennis sceptisch zijn?
  6. Geloof je alles wat je weet? Weet je alles wat je gelooft?

 Opdrachten om met bovenstaande vragen aan de slag te gaan (thuis, klas, …):

  1. Kies een interessant thema uit dat je wilt onderzoeken. Schrijf vijf voorbeelden van kennis op (uit je hoofd!), die betrekking hebben op dat thema. Schrijf bij ieder voorbeeld op of je de betreffende kennis opgedaan hebt met behulp van je verstand en/of met behulp van je zintuigen. Maak ook onderscheid welk aspect van de kennis je hebt te danken aan je zintuigen, en/of welk aspect je te danken hebt aan je verstand.
  2. Voer opdracht 1 uit, maar ga nu op zoek naar vijf voorbeelden van kennis uit externe bronnen (boeken, kranten, tijdschriften, Internet, mensen in je omgeving, …). Geef met argumenten aan welke informatiebron volgens jou de meest en minst betrouwbare kennis opleverde. Welke criteria heb je daarbij gehanteerd?
  3. Kies drie wetenschappelijke theorieën en benoem voor iedere theorie vijf redenen waarom die theorie wetenschappelijk is. Ga vervolgens op zoek naar enkele theorieën waarvan gezegd wordt dat ze ‘wetenschappelijk bewezen’ zijn, maar waar jij sceptisch over bent: volgens jou is het veronderstelde pseudowetenschappelijke kennis. Beschrijf vervolgens kort het verschil tussen: a) wetenschap en pseudowetenschap; b) kennis en geloof (of: weten en geloven).
  4. Het overgrote deel van de wereldbevolking gelooft niet alleen in het bestaan van God en een leven na de dood, maar is er ook (heilig) van overtuigd. Die overtuigingen kunnen niet op wetenschappelijke manieren bewezen worden. Schrijf vijf zaken op die jij gelooft (al dan niet van religieuze aard) en geef aan waarom je dat gelooft. Stel een lijst op met vragen die je zou willen stellen aan een religieus persoon en neem een interview bij hem/haar af. Bespreek de resultaten van het interview. Ga daarbij ook na of de reguliere wetenschap en het atheïsme ook geloofsovertuigingen zijn.

 Vragen over bovenstaande tekst ‘Filosoferen over… …kennis en wetenschap’

  1. De titel van Latours’ bekendste boek is Wij zijn nooit modern geweest. Verklaar deze titel.
  2. Wat vind je van de ideeën van Latour? Is zijn schets van wetenschapsbedrijving zeer negatief, of juist realistisch?
  3. Als je in de krant wetenschappelijke bevindingen leest, hoe serieus neem je deze dan? Wat zegt dit over de objectiviteit van wetenschap?
  4. Onderzoek naar roken is een goed voorbeeld van wetenschap met politieke belangen. Zoek op internet hier meer informatie over. Probeer een schets te maken van de wetenschappelijke bevindingen rond roken. Probeer hier ook filosofische conclusies aan te verbinden.