Kunst & jij

Een van de bijzondere dingen van kunst is dat je soms geen idee hebt wat je ziet of hoort. Kunst valt niet altijd direct in onze schema’s van de werkelijkheid. Daarom moet je vaak nog een keer kijken. En nog eens. Of anders. Kunst prikkelt niet alleen kijkgewoontes, maar ook allerlei verwachtingen en je opvattingen over wat de moeite waard is. Soms moet je helemaal opnieuw bepalen hoe iets past in de rest van de werkelijkheid.

Meer 9, cortenstaal, Carel Visser 2004

Filosoferen naar aanleiding van een kunstwerk is interessant en soms ook grappig en verwarrend. Tegelijk is het een effectief middel om de kunstbeleving te bevorderen. Gespreksleiders in het museum, op school, in de galerie of thuis kunnen dat proces faciliteren als ze over de juiste vaardigheden beschikken.

Cursus Kunst en jij
Ontdek hoe leuk en inspirerend filosoferen naar aanleiding van een kunstwerk kan zijn en leer hoe je een gezamenlijk onderzoek begeleidt. Wij hebben deze cursus ontwikkeld in samenwerking met Kunstbalie en met museumdocenten, (kunst)vakdocenten en andere medewerkers van culturele instellingen. De cursus stelt je in staat de kunstbeleving van leerlingen, museumbezoekers of verzamelaars te intensiveren en een onderzoekende en empathische houding te stimuleren.

Over de cursus
In deze cursus ontwikkel je de vaardigheid om de kunstbeleving van anderen te intensiveren. Je verwerft deze vaardigheid door te leren hoe je een filosofisch gesprek bij een kunstwerk laat ontstaan en begeleidt. Je leert de socratische houding te beheersen en ermee te werken. Je brengt structuur aan door het selecteren en combineren van de instrumenten hieronder. De cursus bestaat uit vier tweewekelijkse sessies van 3½ uur. Het is belangrijk tussen de sessies systematisch oefengesprekken te voeren. Eerst met collega’s, vrienden, familie en/of andere bekenden; daarna met je doelgroep. Oefening baart kunst.

Gereedschapskist: zes instrumenten
1.    het gezamenlijk kiezen van één kunstwerk
2.    onderzoek naar de feiten van het kunstwerk
3.    het gezamenlijk betekenis verlenen aan een kunstwerk
4.    het verwoorden van de kunstbeleving in trefwoorden
5.    het verwoorden van de kunstbeleving in vragen
6.    het leiden van een filosofisch gesprek over een vraag gerelateerd aan het kunstwerk

Ze werken als volgt:

Instrument 1: gezamenlijk kiezen van één kunstwerk
De deelnemers kijken/luisteren naar een aantal kunstwerken. Terwijl zij de werken ondergaan, noteren ze individueel hun persoonlijke argumenten waarom ze een werk al of niet willen onderwerpen aan een nader gezamenlijk onderzoek. Daarna presenteren zij deze argumenten om gezamenlijk vast te stellen welk kunstwerk het meest in aanmerking komt voor verder onderzoek.

Instrument 2: onderzoek naar de feitelijke ervaring van het kunstwerk
Terwijl ze het werk waarnemen, doen de deelnemers een gezamenlijk onderzoek door het beantwoorden van een aantal vragen. Ze kunnen besluiten hun eventuele relevante feitenkennis inzake werk en kunstenaar te delen. Ze wisselen dan gegevens inzake het werk uit (kunstenaar, titel, stijl, stroming, genre, context, gebruikte techniek, vorm, onderwerp, handeling, compositie, kleuren, et cetera). In ieder geval geven ze elkaar een zo feitelijk mogelijke beschrijving van het werk met zo weinig mogelijk interpretatie. De gespreksleider kan het onderzoek van de ervaring beginnen met vragen als Wat valt je op? om het blikveld te verruimen en de waarneming te scherpen. Andere mogelijke hulpvragen zijn:
–    Wat doet het werk met je? Wat roept het bij je op? Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk je beleving: gevoelens, gedachten, vragen, associaties, eventuele fantasieën en/of fysieke reacties
–    Wat gebeurt er met je als je langer stilstaat bij het werk?
–    Wat wil je? Roept de ervaring van het kunstwerk op tot een handeling?

Instrument 3: betekenis verlenen
Men kan ook besluiten direct betekenis te verlenen aan een werk zonder eerst de feitelijke ervaring te onderzoeken. De deelnemers worden uitgenodigd te vertellen wat het kunstwerk met ze doet: welke vragen, gedachten, herinneringen, gevoelens en/of fantasieën het oproept, of het kunstwerk ze aanspreekt (sympathie) of juist niet (antipathie) en dit ook toe te lichten. Voorbeeldvragen:
–    Wat gebeurt er met je als je langer stilstaat bij het werk?
–    Wat is het wonder?
–    Wat begrijp je niet?
–    Wat zegt jouw beleving van dit werk over jezelf?
–    Vind je het werk mooi?

Instrument 4: het verwoorden van de kunstbeleving in trefwoorden
De deelnemers worden uitgenodigd om hun kunstbeleving (gedachten, vragen, gevoelens et cetera) en hun indrukken individueel samen te vatten in een tot drie trefwoorden. Vervolgens wordt hen gevraagd: Welke titel zou jij aan dit kunstwerk geven? De trefwoorden worden plenair besproken en toegelicht. Leerlingen of bezoekers worden tevens uitgenodigd elkaar vragen te stellen, wat overigens doorlopend van belang is. De gespreksleider noteert het belangrijkste trefwoord per deelnemer en probeert ze direct te categoriseren/clusteren. Tot slot kiezen de deelnemers beargumenteerd één trefwoord dat volgens hen het sterkste van toepassing is.

Instrument 5: het verwoorden van de kunstbeleving in vragen
De deelnemers worden uitgenodigd om hun kunstbeleving (gedachten, vragen, gevoelens etc.) en hun indrukken individueel samen te vatten in minimaal twee en maximaal vier vragen. De gespreksleider vraagt letterlijk: Welke vraag/vragen roept dit kunstwerk bij je op? waarna de deelnemers hun vraag/vragen opschrijven. Vervolgens worden maximaal tien vragen door de docent geïnventariseerd. De leerlingen of bezoekers lichten hun vragen toe en ondervragen elkaar over de urgentie van hun vragen. De docent noteert ze. De deelnemers wisselen argumenten uit voor en tegen de vragen en bepalen gezamenlijk welke vraag ze beschouwen als het meest relevant voor henzelf en het meest treffend in relatie tot het kunstwerk.

Instrument 6: filosofisch gesprek
Zonodig geeft de docent kort inzicht in de criteria voor geschikte uitgangsvragen in een filosofisch gesprek:

– De vraag heeft betrekking op (= treffend voor) het kunstwerk
– Het is een algemene vraag (niet zuiver individueel)
– Het is een relevante en betekenisvolle vraag (interessant om te onderzoeken)
– De vraag is te beantwoorden door louter nadenken
– De vraag is eenvoudig geformuleerd
– De vraag is te voorzien van concrete voorbeelden uit eigen ervaring

De gespreksleider start het filosofisch gesprek op basis van de volgende procedure:

1.    Geef de deelnemers de opdracht een voorbeeld te bedenken uit hun eigen leven, een voorbeeld dat betrekking heeft op de uitgangsvraag. Stel ze de volgende vraag: ‘Met welke ervaring uit je eigen leven kun je de uitgangsvraag beantwoorden?’ Graaf in je geheugen! Ga bij jezelf na waar je toen was, met wie, wat je toen deed, en wat je toen dacht en voelde.

2.    Laat een aantal deelnemers deze persoonlijke ervaringen uitwisselen en geef ze de gelegenheid op elkaar te reageren en elkaar vragen te stellen. Stimuleer ze om elkaar vragen te stellen!

3.    De gespreksleider vraagt de leerlingen of bezoekers naar de essentie van het onderzoek van deze ervaringen: ‘Wat vinden jullie belangrijk?’, ‘Waar draait het volgens jullie om?’, ‘Wat valt hieruit te leren?’.

4.    Terugkoppeling van hetgeen is geleerd/geconcludeerd naar het kunstwerk:
Verbind deze antwoorden met je kunstbeleving. Ervaar het werk opnieuw. Verandert je kunstbeleving? Wat zegt die eventuele verandering over het werk? En over jou?

5.    Evaluatie van het filosofisch gesprek: Wat vonden jullie van dit gesprek? Wat ging er goed? Wat kon er beter?

Welke van deze zes instrumenten de gespreksleider kiest, is afhankelijk van factoren als:

•    het kunstwerk
•    de doelgroep
•    de setting (groepsgrootte, locatie)
•    eventuele educatieve doelen
•    de beschikbare tijd

Wil je meer weten? We zijn bereikbaar op info@lerenfilosoferen.nl en op 0251-253824.